De verdeling van een nalatenschap gaat vaak in goed overleg tussen de erfgenamen, maar regelmatig is zo’n verdeling voer voor discussie en gedoe. Dan kan het verstandig zijn aan de kantonrechter te vragen om een vereffenaar aan te stellen, die de nalatenschap vereffent onder toezicht van de kantonrechter. De kosten van de vereffenaar komen ten laste van de nalatenschap en ook dat levert regelmatig discussie op.

Zo’n discussie was aan de orde in een zaak waarin de kantonrechter in 2012 een vereffenaar aanwees in de nalatenschap van een overledene die acht erfgenamen had. Deze vereffenaar, een advocaat, verrichtte zijn werkzaamheden niet naar behoren, zo vond in elk geval één van de erfgenamen. Maar liefst tien klachten diende deze erfgenaam in de loop van de jaren tegen de vereffenaar in.

Dat waren inhoudelijke klachten over de wijze van afwikkeling van de nalatenschap, maar ook werd een paar geklaagd bij de kantonrechter over de hoogte van de declaraties van de vereffenaar. De erfgenaam stoorde zich er met name aan dat de vereffenaar ook de uren declareerde die hij samen met een kantoorgenoot (tevens advocaat) besteedde aan het voeren van verweer tegen de klachten die over hem werden ingediend. De vereffenaar meldde dat in zijn verantwoording aan de kantonrechter overigens expliciet en voegde overzichten van bestede tijd bij, waaruit bleek waaraan hij en zijn kantoorgenoot hun tijd hadden besteed. De kantonrechter keurde die salarisbeschikkingen goed en dat nam de erfgenaam niet. Hij ging samen met drie andere erfgenamen in hoger beroep, maar tevergeefs. Ook het Hof keurde de salarisbeschikkingen goed.

Daarmee was de kous af, zou je zeggen. Maar nee, de erfgenaam diende een tuchtklacht in tegen de advocaat. Zijn argumenten: de declaraties zijn onjuist en niet te controleren en hij heeft uren in rekening gebracht die geen nalatenschapskosten zijn. Daarmee heeft de vereffenaar (een advocaat) iets gedaan wat niet mag en de erfgenaam vindt dat de vereffenaar daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt.

De Raad van Discipline (het orgaan dat oordeelt over tuchtklachten tegen advocaten) stelde eerst vast dat een advocaat ook aan het tuchtrecht is gebonden wanneer hij een andere hoedanigheid heeft. Vervolgens stelde de Raad vast dat de vereffenaar er geen geheim van had gemaakt dat hij zijn uren ten laste van de nalatenschap liet komen. Hij schreef dat immers expliciet in zijn brief aan de kantonrechter, waarin hij zijn salarisverzoek deed. Het is dan, zegt de Raad, aan de kantonrechter om dat inhoudelijk te beoordelen. Voor de Raad van Discipline ligt daar geen taak. Conclusie: de klacht tegen de advocaat was ongegrond.

Maar nog nam de erfgenaam het niet. Hij ging in beroep bij het Hof van Discipline. Dat Hof was er snel klaar mee: klachten over de hoogte van een declaratie horen thuis bij de kantonrechter en niet bij de tuchtrechter. De vereffenaar is transparant geweest over de bestede uren en er is geen sprake van misleiding of verstrekking van onjuiste informatie. Het vertrouwen in de advocatuur is dus niet geschaad door het optreden van deze advocaat als vereffenaar en het oordeel van de Raad wordt door het Hof bevestigd.

Het resultaat? Na negen jaar is deze nalatenschap nog altijd niet afgewikkeld en is een deel van het nagelaten vermogen opgegaan aan de kosten voor het voeren van juridische procedures. Zonde natuurlijk, nog los van de vraag wat de overledene hiervan gevonden zou hebben ...  

Als u vragen heeft over een dergelijk onderwerp, neem dan gerust contact met ons op.

Ben Arends