Het Hof van Justitie  (HvJ) heeft dit jaar het volgende beslist over consumentenovereenkomsten:

  1. Een beding in een risicodragende overeenkomst is oneerlijk als, kijkend naar de omstandigheden rondom het sluiten van de overeenkomst, dat beding gedurende de uitvoering van die overeenkomst het evenwicht tussen partijen aanzienlijk kan verstoren;
  2. Als sprake is van een oneerlijk beding (en aldus ongeldig kan worden verklaard) valt dat beding daarmee weg. Het ‘gat’ wat dan ontstaat kan dan niet meer worden opgevuld door aanvullende wetgeving die wel zou hebben gegolden als het beding sowieso nooit was opgenomen

Wat was het geval?

Dexia had een beleggingsproduct aan consumenten verkocht. In het contract stond dat bij wanprestatie van de consument Dexia de overeenkomst kon ontbinden en aanspraak kon maken op een schadevergoeding die veel hoger was dan in de wet was voorzien. De consument vond die contractuele schadevergoeding te gortig (lees: oneerlijk). De vragen die aan het HvJ werden voorgelegd luidden: a) welke criteria bij de beoordeling van de vraag of het beding oneerlijk is aangewend dienen te worden, en b) wat de gevolgen zijn van een eventueel oneerlijk beding.

Uitwerking ad a)

Of het beding oneerlijk is wordt bepaald door de omstandigheden rondom het sluiten van de overeenkomst. Het gaat er dus niet om wat er nadien gebeurt, want dat is wijsheid achteraf. Evenmin gaat om de vraag of in het concrete geval de consument is benadeeld. Nee, het gaat om de vraag of gemeten op het moment rondom het sluiten van de overeenkomst de consument kan worden benadeeld. Dat kan dus betekenen dat een consument de oneerlijkheid van een bepaling kan inroepen omdat een consument daardoor kan worden benadeeld zonder dat deze specifieke consument is benadeeld.

Uitwerking ad b)

De wet gaf Dexia een recht op schadevergoeding bij wanprestatie. Dat vond Dexia niet genoeg en daarom had zij in haar contract het recht op een hogere vergoeding opgenomen. Nu die bepaling als oneerlijk werd aangemerkt en weg viel maakte Dexia alsnog aanspraak op de wettelijke schadevergoeding. Het HvJ blokt dit af. Met andere woorden: wie meer wilde dan was toegestaan kan vervolgens geen aanspraak maken op het mindere waarop zij zonder dat ‘meerdere oneerlijke beding’ wel aanspraak had kunnen maken. Daarmee beoogt het HvJ verkopers (waarmee het HvJ lijkt te bedoelen iedere professionele contractant) te stimuleren geen oneerlijke bedingen op te nemen, althans zo begrijp ik de toelichting. Daar valt wel wat op af te dingen maar het HvJ heeft zo beslist.

Inmiddels hebben al diverse lagere rechters in Nederland in de lijn van dit arrest beslist. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam en rechtbank Noord Holland.

De les voor de professional en consument

Voor de professional geldt om bij twijfel over de eerlijkheid/geldigheid van het beding om expliciet op te nemen dat als bepaling a. oneerlijk wordt beschouwd dan bepaling b. geldt. Terugvallen op een contractuele bepaling lijkt het HvJ wel toe te staan (dat is dus niet zeker) maar dan dient de verkoper dat wel expliciet op te nemen. De professional doet er dan goed aan die bedingen a. en b. als aparte bedingen op te nemen in verschillende artikelen of leden. Stel daarentegen dat het in één doorlopende zin wordt verwerkt. Dan bestaat het risico dat bepaling b. (die op zichzelf als eerlijk wordt aangemerkt) wordt meegesleurd in de ongeldigheid van bepaling a. omdat het als één beding wordt gezien. Dit is echter nog niet uitgekristalliseerd dat is tevens de les voor de consument om hier kritisch naar te kijken.

Moraal van het verhaal

Een beding is oneerlijk en ongeldig als het gemeten naar de omstandigheden rondom het sluiten van de overeenkomst voor de consument het evenwicht kan verstoren. Valt de bepaling weg omdat het als oneerlijk wordt gekwalificeerd, dan kan de verkoper niet terugvallen op de wettelijke bepaling die zonder het oneerlijke beding had gegolden. ‘Rupsje Nooitgenoeg’ is gewaarschuwd.