Inleiding

In mijn praktijk krijg ik regelmatig van bestuurders (van vennootschappen) de vraag voorgelegd of het verantwoord is een bepaalde beslissing te nemen en wat de eventuele persoonlijke consequenties kunnen zijn van een vergaande, achteraf bezien “verkeerde” beslissing. “Levert het geen persoonlijke aansprakelijkheid op?”

Anderzijds krijg ik ook vragen van cliënten die een bestuurder juist aansprakelijk willen stellen. Het gaat dan om de externe aansprakelijkheid. De bestuurder kan in sommige gevallen door een individuele crediteur worden aangesproken op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) of, in geval van een faillissement, door de curator (ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren) op grond van artikel 2:248 BW.

Een bestuurder bekleedt een bijzondere positie, niet alleen in de vennootschap maar ook in het recht. De bestuurder maakt deel uit van het bestuursorgaan van de vennootschap en geeft leiding aan de vennootschap.

Het nemen van belangrijke beslissingen voor de vennootschap behoort bij de taken van de bestuurder, maar dat kan lastig zijn – zeker – indien de vennootschap in financieel zwaar weer terecht is gekomen en de te nemen beslissing een grote impact heeft. Indien een genomen beslissing goed uitpakt, is er geen probleem, maar indien dat niet het geval is kan dat anders zijn.  

In deze blog zet ik de bevoegdheden van de bestuurder op een rijtje en geef ik aan wanneer er sprake kan zijn van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW (de interne bestuurdersaansprakelijkheid) en op grond van artikel 2:248 BW (de externe bestuurdersaansprakelijkheid).

Bevoegdheid van de bestuurder

De bevoegdheden van de bestuurder vinden hun grenzen in de wet, de doelomschrijving van de vennootschap en eventueel in de statuten van de vennootschap. In de statuten kunnen de bevoegdheden van de bestuurder zowel worden beperkt als uitgebreid. Kort gezegd bestaat de taak van de bestuurder, buiten het bepalen van het dagelijks beleid, uit het bepalen van de strategie. 

Bestuurdersaansprakelijkheid: artikel 2: 9 BW

Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van de bestuurder. Bij de vervulling van de hem opgedragen taken is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Eveneens van belang is artikel 2:10 BW; het (laten) voeren van een deugdelijke administratie. De Hoge Raad heeft al lang geleden bepaald dat van een bestuurder in zijn algemeenheid mag worden verwacht “dat hij op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult”.

Ongeacht een eventuele taakverdeling bij of krachtens de statuten zijn alle bestuurders op grond van artikel 2:9 lid 2 BW aansprakelijk voor de algemene gang van zaken. Dit betreft de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap zelf. Van persoonlijke aansprakelijkheid is sprake bij een onmiskenbare, duidelijke tekortkoming. Er moet sprake zijn van een ernstig verwijt aan de betrokken bestuurder. Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen (artikel 2:9 BW).

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement: artikel 2:248 BW

In artikel 2:248 BW wordt gesproken van “kennelijke onbehoorlijke taakvervulling”. Van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling is sprake als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – zo gehandeld zou hebben. Alleen de curator is bevoegd de vordering op grond van dit artikel in te stellen. Het artikel schept de mogelijkheid van aansprakelijkheid van iedere bestuurder van een vennootschap indien aan de volgende vereisten is voldaan:

  1. Faillissement van een vennootschap.
  2. Kennelijke onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur of een bestuurder.
  3. Het aannemelijk is dat de kennelijke onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht of de verplichting om de jaarrekening tijdig te publiceren, dan staat vast (onweerlegbaar) dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Een bestuurder kan zich overigens wel disculperen door aan te tonen dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt treft èn hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de tekortkoming af te wenden.

Conclusie

De bestuurder moet kunnen “ondernemen” en van onbehoorlijk bestuur c.q. persoonlijke aansprakelijkheid zal daarom in beginsel alleen sprake zijn als de bestuurder een ernstig verwijtbare gedraging kan worden aangerekend. De bestuurder moet handelen “zoals het een goed bestuurder betaamt”, belangrijke vragen zijn; of hij goed heeft nagedacht over de (gevolgen van een) te nemen beslissing en daarnaar ook heeft gehandeld? Heeft hij alle omstandigheden van het geval laten meewegen alvorens tot zijn beslissing te komen?

Voor belangrijke beslissingen, zeker beslissingen die de continuïteit van de onderneming (kunnen) raken is het voor een bestuurder verstandig niet enkel zijn eigen accountant te raadplegen, maar ook een juridisch adviseur die de juridische aspecten en impact van een beslissing kan beoordelen.

Indien u, mogelijk mede ten gevolge van de Coronacrisis, staat voor het nemen van moeilijke beslissingen met vergaande consequenties, dan bent u bij de advocaten van Keizers Advocaten in goede handen. Zij treden niet alleen op als advocaat, maar worden door de Rechtbank ook aangesteld als curator in faillissementen. Daardoor zijn zij vanuit hun expertise bij uitstek in staat om u goed te adviseren.  

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met mr. M.J.L. (Martijn) Versantvoort (040-2445600 / m.versantvoort@keizersadvocaten.nl).